Opslag broeikasgassen in Siberisch hoogveen
Natte hoogveengebieden vormen een duurzame opslagplaats van het broeikasgas koolstofdioxide, maar zijn ook bron van het veel sterkere broeikasgas methaan. Volgens NWO-onderzoeker Wiebe Borren gaan hoogveengebieden onder de huidige klimaatsomstandigheden het broeikaseffect tegen. Bij verdere opwarming van het klimaat kan het broeikaseffect tijdelijk versterkt worden.
Borren onderzocht de koolstofuitwisseling tussen West-Siberische hoogveengebieden en de atmosfeer. Hij promoveert op 19 januari aan de Universiteit Utrecht.
Het West-Siberische veenlandschap is de laatste 10.000 jaar tijdens het Holoceen gevormd en beslaat ongeveer een miljoen vierkante kilometer. Anders dan veel Europese hoogveengebieden die zijn ontgonnen of sterk worden beïnvloed door de mens, kunnen de West-Siberische gebieden zich ongestoord ontwikkelen en uitbreiden. Bij het aangroeien van hoogveen wordt koolstof gevormd. Dat wordt eerst door planten opgenomen in de vorm van koolstofdioxide (CO2) en daarna met een deel van het afgestorven plantenmateriaal bewaard onder waterverzadigde, zuurstofloze omstandigheden. Een deel van de koolstof komt door langzame afbraak van veen vrij in de vorm van methaan (CH4), dat net als koolstofdioxide een broeikasgas is.
Tot nu toe was niet duidelijk op welke manier hoogveengebieden het broeikaseffect beïnvloeden. Volgens Borren hangt de bijdrage van een hoogveengebied aan het broeikaseffect af van de uitwisseling van koolstofdioxide en methaan. Methaan is een sterker broeikasgas dan koolstof maar verblijft veel korter in de atmosfeer. Die twee karakteristieken bepalen het effect in de atmosfeer.
Borren berekende met een 3D-model de veranderingen in de atmosferische voorraden van koolstofdioxide en methaan op basis van uitwisselingsfluxen door veenvorming gedurende de afgelopen 9000 jaar. Met dit model heeft hij ook de effecten van ontwatering van venen op de CO2-uitstoot en die van klimaatverandering gesimuleerd. Bij dat laatste hield Borren rekening met het noordwaarts opschuiven van bioklimaatzones in West-Siberië als gevolg van opwarming. Uit de resultaten blijkt dat de hoogveengebieden vanaf het Holoceen tot op heden als netto-opslagplaats van broeikasgassen het broeikaseffect tegengaan; er wordt meer CO2 opgeslagen dan methaan uitgestoten, ook als rekening wordt gehouden met het sterkere broeikaseffect van methaan.
Om de betekenis voor het klimaat te bepalen heeft Borren een nieuwe berekeningsmethode ontwikkeld. Tot dusver worden beperkingen van de broeikasgas emissies (Kyoto protocols) berekend op basis van instantane emissies en niet van geleidelijk veranderende emissies zoals het geval bij bossen en natuurlijke venen. Met deze nieuwe methode kon de onderzoeker duidelijk aantonen dat niet-gedraineerde venen op den duur uitermate belangrijke netto opslaggebieden zijn voor broeikasgassen uit de atmosfeer, ook bij opwarming van het klimaat.
Bij een verdere opwarming van het klimaat en verschuiving van bioklimaatzones zullen hoogveengebieden het broeikaseffect echter versterken, aldus Borren. Na ongeveer 250 jaar wordt dit effect weer omgekeerd omdat de toegenomen koolstofdioxide-opname groter zal zijn dan de toegenomen methaanuitstoot. Ontwatering draagt altijd bij aan versterking van het broeikaseffect. Borren vindt daarom ontginning van veengebieden zorgwekkender voor het broeikaseffect dan de natuurlijke veranderingen die hij in zijn proefschrift beschrijft.
[NWO]
Lees ook:
» Permafrost dooit sneller door verdwijnend zeeijs
» Methaanijs ontdekt op geringe diepte voor Canadese kust
» Bomen planten blijft zinvol in bestrijding van broeikaseffect
» “Aarde warmt op door winderige schapen en koeien”
» Methaangas kan klimaatverandering flink versnellen









