Alarmisten vs. sceptici in debat klimaatverandering

In het debat over klimaatverandering lijkt een richtingenstrijd te ontstaan waarbij de stereotyperingen niet van de lucht zijn: de alarmisten dragen geitenwollen sokken en laten zich subsidiëren door politici die zich van het onderwerp hebben meester gemaakt. Sceptici zijn lakeien van de olie-industrie.
Hoogleraar Salomon Kroonenberg van de Technische Universiteit in Delft vindt zichzelf boven de partijen staan. Hij wil er als geoloog, ofwel historicus van Moeder Aarde, alleen op wijzen dat datgene waarvoor we nu bang zijn zich al vele malen heeft voorgedaan, zonder dat er een mens aan te pas kwam: toename van broeikasgassen in de atmosfeer, opwarming, afgewisseld door ijstijden.

“We hebben het over zeer grote processen. De kans dat de mens die kan sturen is twijfelachtig, in elk geval op lange termijn. Daarom denk ik dat de maatregelen die in het verdrag van Kyoto zijn vastgelegd een onvoorspelbaar effect zullen hebben.”

De geoloog vindt symptoombestrijding, zoals dijkverhoging in de delta’s, in dit geval beter dan genezing. De kwaal gaat het menselijk begrip immers te boven.

“Zorg dat we goed zijn voorbereid op de klimaatverandering die onvermijdelijk komt. Daaraan kan beter geld worden besteed dan aan Kyoto.”

Als Kroonenberg gelijk heeft, hoe komt het dan dat slechts weinigen dat inzien? Modern schuldgevoel, meent hij. De gedachte dat de mensheid het klimaat in de war heeft gebracht, appelleert daaraan.

“Het moet altijd iemands schuld zijn en we hebben er recht op dat het weer goed komt.”

KNMI


Voor Rob van Dorland, klimatoloog bij het KNMI, hoeft het verband tussen de opwarming van de aarde en de menselijke uitstoot van CO2 niet te worden aangetoond: “dat verband staat vrijwel vast.” De wetenschapper is co-auteur van het vierde, in februari te verschijnen rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), een door de Verenigde Naties opgericht forum van wetenschappers die de risico’s van klimaatverandering bestuderen.
Naar verluidt zal het komende rapport nóg sterker de nadruk leggen op het menselijke aandeel in de opwarming van de aarde. Een kleine minderheid van deskundigen meent dat het met dat aandeel wel meevalt of dat er niets aan is te doen.
Tussen 1945 en 1975 steeg het CO2-aandeel ook, maar daalde de temperatuur, vanwege hoge vulkaanactiviteit. Onverwachte omstandigheden kunnen zich altijd voordoen en dus is het ondoenlijk het klimaat te voorspellen en onwenselijk daarop beleid te baseren.
Van Dorland:

“Er zijn klimaatscenario’s voor de komende tientallen jaren die rekening houden met dempende factoren als zonne-activiteit, vulkanisme en El Niño. En die laten nog altijd temperatuurstijging zien. Menselijke CO2-uitstoot is de laatste dertig jaar dan ook verder toegenomen, en wel zeer scherp.”

Er is ‘weinig wetenschappelijke kennis over acht van de twaalf factoren die het klimaat beïnvloeden’. Geeft het IPCC zelf toe.

“Dat is een verwijzing naar een staafjesgrafiek die klimaatsceptici kennelijk niet kunnen of willen begrijpen. De grafiek zegt iets over de onzekerheid van de mate waarin die factoren effect hebben. Dát ze effect hebben, weten we wél. De verwachting is dat het deze eeuw 1,4 tot 5,8 graden Celsius warmer wordt. Het ‘gebrek aan wetenschappelijke kennis’, ofwel de onzekerheid, zit in het verschil tussen deze twee cijfers.”

Rampverhalen over het klimaat komen van wetenschappers die zich laten opjutten door politici, die duidelijke uitspraken willen.

“Als wetenschappers de hete adem van politici en media in hun nek voelen, kan dat nadelige gevolgen hebben. Toch verkies ik deze situatie boven een wetenschappelijke ivoren toren. Nooit is er zo veel helderheid geweest over wat wetenschappers doen. Het IPCC is een goed voorbeeld. Een wereldwijd podium van wetenschappers die zich bezighouden met klimaat – kan het transparanter?”

[Algemeen Dagblad]